Eduard Verboog toonde in zijn kijk op de kunst een opvallende gedrevenheid, zie het artikel in het Vrije Volk, waarmee deze website begint.
"Ik ben me bewust van een grote lijn in onze eigen cultuur, dat wil zeggen ik heb daar zo mijn eigen beeld van gevormd en mijn werk tracht ik zoveel mogelijk af te stemmen op dat visioen van mezelf, dat algemeen en toch ook heel erg persoonlijk is. Slechts wat werkelijk sterk boeit en aantrekkingskracht uitoefent, kun je goed herscheppen."
Zijn instelling: "kunstenaars behoren op de bres te staan voor de beschaving", is duidelijk modern te noemen in de beginperiode van de vorige eeuw.

Hij heeft de nieuwe richtingen in de schilderkunst wel gevolgd, maar bleef zelf het weergeven van de zichtbare werkelijkheid als uitgangspunt houden.
In de beginperiode van zijn kunstenaarschap kwam Verboog in contact met Floris Verster en deze stimulerende periode zou duren tot zijn vertrek uit Leiden in 1924. Tot op hoge leeftijd noemde Verboog hem "mijn grote leermeester". In de kring van Verster (m.n. Albert Verwey) werd veel gediscussieerd over thema's als "Oneindigheid", het "Al-Ene" (eenheid van het Al, de kosmos) van Spinoza, het Boeddhisme en de theosofie. De invloed van Verster heeft er onder andere voor gezorgd dat hij enkele hoofdlijnen hiervan heeft meegekregen.
In zijn Gelderse tijd heeft hij zeer waarschijnlijk de optredens van Krishnamurti in Ommen, die veel publiciteit kregen, gevolgd. In Haarlem kwam de verdieping van zijn ideeën tot uiting in zijn lidmaatschap van de Rozenkruisers.

Zijn werk werd vooral gewaardeerd door mensen met een spirituele achtergrond.
Een universeel symbool als "het pad naar het licht" (o.a. van het Boeddhisme/Taoisme) is bij nadere beschouwing van zijn landschappen vaak te herkennen. Hekwerken, als "te overwinnen obstakels", maken dat beeld compleet.
"De Zon" neemt een belangrijke plaats in, zoals in "Zonsopgang in Moergestel" uit 1922.
Ook "Maanlandschap"(1935) past hierbij. Bij het schilderij "Landschap vanaf boot" (1935) bevindt de toeschouwer zich geheel in het licht.

In verschillende werken is er sprake van een opvallende compositie en - mogelijk - een meer bijzondere symboliek. Een drietal voorbeelden kan hierbij als illustratie dienen.

logo

  "Oegstgeest, sloot met scheve boom en koolveld", 1920
Oegstgeest, sloot met scheve boom en koolveld, 1920,  door Eduard Verboog

Dit schilderij laat zien hoe Verboog in zijn beginjaren bezig is geweest met de nieuwe ideeën over kunst (De Stijlgroep, Leiden: "Men dient de mensheid door haar te verlichten").

De locatie is de polder Kamphuizen, tussen Oegstgeest en Rijnsburg. Verboog woonde aan de Dorpsstraat in Oegstgeest, met uitzicht over deze polder en, in de verte, naar Rijnsburg. In het boek "75 jaar Leidse Hout" is het betreffende slootje met slingervorm op een kaart nog terug te vinden, vlak naast de Pastoorswetering. Nu loopt de A 44 er doorheen en liggen er, behalve de bloemenveiling "Flora", wat sportvelden.

Van dit schilderij bestaat ook een voorstudie, in kleiner formaat en ook uit 1920. Die laat zien dat er behoorlijk wat veranderingen zijn aangebracht.
In het definitieve werk valt in de eerste plaats op dat het meer is gestileerd. De horizon bevindt zich op precies tweederde van de hoogte; het deel eronder wordt in twee gelijke helften verdeeld, aarde en sloot. De scheve boom aan de oever staat precies in het midden ervan. Anders dan in de voorstudie staat de stam onder een hoek van 45 graden.
Het slootje spiegelt, het is met het paletmes zo glad mogelijk gestreken. De lichtnuance is fraai weergegeven, van onder naar boven in toenemende helderheid. De spiegelende boomstam staat precies loodrecht op de echte.
De lijnen in de akker lopen vrijwel horizontaal, waarmee het aarde-karakter wordt onderstreept. Dit is ook het geval rechtsonder, waar de aarde tot in detail is opengewerkt.

In de rechterhelft van het schilderij, het aarde-deel, loopt de blik van heel dichtbij helemaal naar de horizon, tot achter het minuscuul kleine molentje, naar het oneindige.
De sloot trekt de meeste aandacht, de lichtspiegeling lijkt de oneindigheid van het heelal, de kosmos, te suggereren.
Het thema 'oneindigheid' is ook uitgedrukt in de lijn van de slootkant, die een hyperboolvorm heeft ('een hyperbool raakt de horizontale assen, zowel boven als onder, volgens de wiskundige uitdrukking 'in het oneindige'). Deze hyperboolvorm domineert de hele voorstelling.
Er zijn in de beeldende kunst veel middelen gebruikt om 'oneindigheid' aan te geven, maar een hyperbool, en nog wel precies tussen twee horizontale lijnen als ware het een wiskundeboek, is hier voor het eerst gepresenteerd.
In het boek van F.Bettex "Symboliek der schepping en der eeuwige natuur" uit 1899 wordt de hyperbool beschreven: "Nog mysterieuzer is de hyperbool met haar eeuwige toenadering tot de rechte lijn" (p. 25).
Als de scheve, afgeknotte en later weer uitgelopen boom staat voor "het leven", zoals vaak in de symboliek, is hiermee ook de oneindigheid van het leven uitgedrukt en, door zijn plaatsing precies in het midden, oneindigheid zowel in het verleden als in de toekomst.

Spinoza

Met deze symboliek is de eenheid van aarde, leven en kosmos uitgebeeld, en de oneindigheid ervan.
Dit thema was in het begin van de twintigste eeuw populair onder dichters, filosofen en, onder andere, bij een aantal Leidse kunstenaars. Inspiratie werd gevonden bij de filosoof Spinoza, die dit thema in de "Ethica" heeft behandeld.
De mogelijkheid dat deze voorstelling, met zijn betekenis en het geometrische karakter ervan, een verwijzing is naar de "Ethica", die immers zelf een geometrische structuur heeft, is groot.
Er zijn meer aanwijzingen die hier steun aan geven.

Opvallend zijn de paarse kleuren in de akker en ook in de opengewerkte aarde rechtsonder. Het zijn velden met kool. Vergeleken met de voorstudie zijn die tinten extra aangezet. Met in de verte een zicht naar Rijnsburg (op de plek waar de horizon blauw is gemaakt) waar ooit Spinoza woonde, lijkt het schilderij te passen bij het gedicht van Albert Verwey:
"Spinoza"
Najaarsklaarte op 't paarse koolland.
Lenzen slijpend aan zijn draaibank
De eedle Baruch d'Espinoza:
"Help mij dat ik dit doorgronde:
De eenheid van uw zijn en beelden.
Hoe de vormen van de ruimten,
Hoe de geesten van ons denken,
Die uzelf voor ons verbeelden,
Toch u zijn, geheel en waarlijk."
Etc. (In "Het Zwaardjaar",1916)

De verticale lijnen van de bomen in het linkerdeel met hun spiegeling in het water, en rechts de horizontale lijnen in de akker, zijn opvallend. Vergelijking met de voorstudie laat zien dat daar extra aan is gewerkt. Ook zijn in de sloot, onderin rechts, enkele bladeren van de waterlelie toegevoegd, die daar een horizontaal accent geven.
Het nadrukkelijk aangeven van het verticale links en het horizontale vooral aan de onderkant doet vermoeden dat hier een relatie is met de bekende illustratie uit Spinoza's Ethica, die behoort bij een tekst waarin o.m. de oneindigheid een rol speelt (zie archief bij "Ethica").

Ook bij o.a. De Stijlgroep is deze figuur te herkennen (zie m.n. Theo van Doesburg : "Contra-compositie VIII" uit 1924). In de bibliotheek van "De Stijl" bevond zich Gorter's vertaling van de Ethica uit 1895.
De invloed van Floris Verster bij het tot stand komen van dit schilderij ia aannemelijk. Hij kende de genoemde uitgave van de Ethica en veel van het werk van Verwey.

logo

"Vijver in park, plm 1927"
Vijver in park, plm 1927,  door Eduard Verboog

Dominant is de grote V-vorm met de punt midden onderin. De linkerhelft is de stam van een boom, de rechterkant wordt gevormd door de begrenzing van licht en donker in de vijver. In dat donkere deel is in het water nog een V aangebracht, de punt wijzend naar een zij-gedeelte dat zich achter een helling bevindt. Op de voorgrond indicaties van sneeuwklokjes en krokussen. Heel waarschijnlijk betreft het hier een deel van de vijver in de tuin van Groenoord, jarenlang de woning van Floris Verster. Verboog zal dit hebben gemaakt na de tragische dood van Verster, die op 21 januari 1927 in die vijver verdronk. Er bevindt zich nog een aantal kleine merkwaardigheden in deze voorstelling, zoals kleurgebruik, de groene 3 midden in de V, waar nu niet verder op zal worden ingegaan.

logo

"Proveniershuis met hof, Haarlem 1931"
Proveniershuis met hof, Haarlem 1931,  door Eduard Verboog

Verboog kreeg in 1931 van de gemeente Haarlem de opdracht het Proveniershuis te schilderen. Hij koos een beeld vanuit de westkant van het hofje naar de achterkant van het huis toe.
In de twintiger en begin dertiger jaren was het Burgerlijk Armbestuur in het Proveniershuis gevestigd. In die crisisjaren vervulde het een belangrijke maatschappelijke functie, namelijk het verzorgen van de uitkeringen aan de werklozen.

Opvallend is de stenen bol precies in het midden van het schilderij, met de witte steen ook midden in de voorstelling. De twee beukenstammen zijn zeer dominant, net als het pad dat onder in het midden uitkomt.
In dit werk is de symboliek van de rozenkruisers/vrijmetselaars te herkennen. Het pad waarop men als beschouwer staat heeft de vorm van een rechthoek ("winkelhaak"), het symbool voor rechtheid, gerechtigheid. De stammen staan daar als "zuilen" of "kolommen" en symboliseren dan de twee zuilen van de tempel van Salomo; ze staan voor 'kracht' en 'wijsheid'. De witte steen heeft de vorm van een "kubus", een bekend symbool als de meest ideale bouwsteen voor de tempel. Zo wordt de gedachte opgeroepen aan "de tempel van Salomo", symbool voor de humaniteit, de harmonische samenleving.
Als deze interpretatie juist is ontstaat een beeld over de wijze waarop de overheid naar de burger toekomt of behoort te komen.

logo

Enkele werken lijken geïnspireerd te zijn door bekende dichtregels of beeldspraken. Verboog kende werk van dichters als Verwey, Gorter en Slauerhoff en bezat o.a. het boek "Tsjwang-Tze" van H. Blok.

"De Visser" , 1911
De Visser, 1911    door Eduard Verboog

Tsjwang-Tze, (Zhuang Zi):

Toen koning Wen eens de Zangstreek bezichtigde, ontwaarde hij daar een oude man die aan het vissen was, maar er zat geen haak aan zijn hengel. Hij hanteerde zijn hengel niet als iemand die vis wil vangen, maar als de eeuwige visser. Koning Wen wilde hem onmiddellijk bevorderen en de regering aan hem overdragen.

***

Sightseeing at Tsang, King Wen saw an old man fishing without fishing – not with a hook on his fishing-rod – always fishing. The King wished to raise him to office, and put the government into his hands.

"De Vlinder", 1925
De Vlinder, 1925   door Eduard Verboog

Tsjwang-Tze, (Zhuang Zi):

Eens op een dag droomde ik, Zhuang Zhou, dat ik een vlinder was, een vlinder die fladderend rondvloog, tevreden met zichzelf, en zich niet bewust dat hij mij was.
Plotseling werd ik wakker en begon me er rekenschap van te geven dat ik nog altijd Zhou was.
Nu is de vraag of ik Zhou ben die droomde dat hij een vlinder was, ofwel een vlinder die droomde dat hij mij was.
Toch bestaat er noodzakelijkerwijs een verschil tussen mij en die vlinder.
Dat noemen we dan maar de verandering der dingen.

***

The butterfly
Once upon a time, I, Zhuang Zhou, dreamt I was a butterfly, fluttering hither and thither, to all intents and purposes a butterfly. I was conscious only of my happiness as a butterfly, unaware that I was Zhou. Suddenly I awoke, and there I was, veritably myself again. Now I do not know whether I am Zhou dreaming he was a butterfly, or a butterfly dreaming he was me. Between a man and a butterfly there is necessarily a distinction. The transition is called the transformation of things.

"Meisje Mei" 1922
Meisje Mei 1922 ,  door Eduard Verboog

Herman Gorter, "Mei":

…….. en het haar
hing om haar voorhoofd waar de blauwe aar
golfde; de oogen vulden haar gezicht
dat bleek werd, maar licht was van zonnelicht.

en in dat godsgeschenk, dat goudgewelf
liep ze al voort en voort, het schoof met haar,
zij zelf het goudst daarin, het gouden haar
een korenschoof rondom haar waar de aren
uit neerhangen en zich de schoof omscharen.

"Gezicht op Neder-Rijn bij Wageningen" 1926
Gezicht op Neder-Rijn bij Wageningen 1926      ,  door Eduard Verboog

Krishnamurti, "De Rivier van Leven" in "Denk eens na over deze dingen" en Ommen, jaren twintig:

Ik weet niet of je op je wandelingen naast de rivier een lange, smalle poel hebt opgemerkt. Vissers moeten hem hebben gegraven, hij is niet met de rivier verbonden. De rivier stroomt gestadig, diep en breed, maar de poel zit vol met modder omdat hij geen contact heeft met het leven van de rivier, en bevat geen vissen.
Het is een stilstaande poel en de diepe rivier, vol leven en vitaliteit, stroomt snel voorbij. Welnu, denk je niet dat de mensen hetzelfde zijn? Zij graven een kleine poel voor zichzelf, ver van het snelle leven, en in die kleine poel komen ze op een dood punt en sterven, en deze stilstand, deze achteruitgang noemen we bestaan.

   "Gedoofde kaars", plm. 1960
Gedoofde kaars,  plm. 1960 ,  door Eduard Verboog

Patachara in de Therigatha:

Ik pak een kaars en loop mijn kamer in;
ik denk aan slapen en zit op mijn bed.
Met een naald doof ik de vlam.
De kaars gaat uit: nirvana.
Mijn geest is bevrijd.

***

Quenched candle
Taking a candle, I enter my cell;
thinking of sleep, I sit on my bed;
with a needle I put out the flame.
The candle goes out: nirvana.
My mind is freed.

"Maya en Merith", 1929
Maya en Merith, 1929,  door Eduard Verboog

Maya en Merith, 1929

De uitvoerige studie, die Verboog in 1929 maakte van de Egyptische beeldengroep "Maya en Merith" in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden, waarvoor hij speciaal weer enige tijd in die stad is gaan wonen, kwam tot stand na advies van H.F Boot in Haarlem, zoals in het hoofdstuk "Biografie" is beschreven. In die periode was het nodig om nieuwe inspiratie en motivatie te vinden.

Aangenomen mag worden dat de publicatie van H.P. Bremmer over deze beeldengroep in het tijdschrift "Beeldende Kunst", 6e jaargang, 1918 (bldz. 97, nr. 66), mede bepalend is geweest. Bremmer had jeugdwerk van Verboog gekocht (zie bij "Tekeningen", 1908, en in "Archief" bij opgave voor CRM), en een tekening van een Acaciastam (1926). Ook Boot heeft in zijn Leidse tijd Bremmer gekend en was op de hoogte van diens tijdschrift "Beeldende Kunst".
Enkele citaten uit de beschouwingen van Bremmer bij deze Egyptische beeldengroep, waarin hij wijst op de symbolische betekenis en de meestal geringe belangstelling hiervoor bij het publiek, kunnen wellicht verhelderend zijn:
"Twee figuren zitten naast elkaar in een rustige grootheid van opvatting, alsof ze van al het tijdelijke ontdaan zijn. Zwijgzaam en gesloten, als mysteriën van innerlijkheid begrepen, zijn zij daar als symbolen van het mens-zijn uit oude tijden."
"De Egyptenaren begrepen het leven als een voorbereiding tot een ander bestaan, dat van geestelijke waarde was, en waartoe men het geestelijke, het eeuwige in de mens op te kweken had. Daarom waren hun de accidentele momenten in het bestaan op de wereld van geen waarde, de lichamen waren de merkbare symbolische omhulling van het geestelijke, dat voor hen alleen waarde had. Zo lag het vanzelf in de ontwikkeling van hun kunst, om juist dat uit te beelden als het voor hen betekenende; latere geslachten meenden, dat zij uit onvermogen tot die stijve verbeeldingen gekomen waren. Maar een stijl ontstaat nooit uit onvermogen, wel een naturalistisch interpreteren, zoals elk kind en elk mens begint met de naïef realistische wereldbeschouwing."
"Waarom is het genot van zulk werk geen gemeengoed, waarom is er in zo weinigen echte blijheid, dat er van die lang verloren tijden een onvergankelijke schoonheid overbleef? Want werkelijk daarvan genieten, dat doen er maar weinigen."
"Ik meen, dat de oorzaak van dat alles is, dat de mensen niet nederig genoeg tegenover kunstwerken komen, dat ze niet a priori het besef van superioriteit van de kunstenaar hebben. Dat zij het besef niet bezitten van het grote wonder en het geheimzinnige, hoe zo'n kunstwerk tot stand komt, wat het ogenblik van de schepping is, hoe de kunstenaar in een gevoel van gemeenschap met het eeuwige moet zijn om zo'n werkelijk scheppend moment te beleven. Men let teveel op de buitenkant van het kunstwerk, op de uitvoering, op datgene wat na het moment van de schepping komt, terwijl het eigenlijk eerste en directe voelen wordt teruggedrongen. Is 't niet waar dat de meeste mensen zeggen bij het zien van kunst: "ik zou het zus of zo gemaakt hebben." Als ze nog lang niet de tijd gehad hebben het werk enigszins te overzien, staan ze reeds met zo'n bewering klaar. Waarom niet bedacht, dat zo'n mening geen waarde heeft, dat een kunstenaar, die zich steeds in zijn werk concentreert, daarover heel wat meer afgedacht heeft in een jaar dan een leek in heel zijn leven doen kan? Overgave is nodig om kunst te zien en te doorleven."

"Iemand, die veronderstelt dat ik overdrijf, moet maar eens opletten in een Museum, waarheen de belangstelling van de mensen gaat en wat de opmerkingen zijn, die zij maken. Stelt men zich onbevangen voor zulk een werk, dan zal men iets ondergaan."

logo